2 jaar geleden lag ik doodziek in het ziekenhuis.
Rhabdomyolyse. Orgaanfalen. Een lichaam dat het letterlijk begaf.
Er waren momenten waarop het licht wegging, waarop ademhalen niet vanzelfsprekend was, waarop ik niet wist of ik er nog zou zijn.
Vanaf dat moment mocht ik niet meer werken. Niet tijdelijk — definitief.
Het leven dat ik kende, het tempo, de zekerheid, de toekomst die ik voor ogen had: alles werd in één klap afgenomen. Wat volgde was geen herstel, maar overleven met restschade. Elke dag opnieuw.
Mijn lichaam herstelde nooit volledig. Mijn energie kwam niet terug. De pijn bleef. De medicatie werd een noodzaak om überhaupt te functioneren.
Maar opgeven… dat kon ik niet. Dat heb ik nooit gekund.
Dus heb ik iets gedaan wat artsen mij eigenlijk afraadden: ik ben opnieuw begonnen.
Niet groot. Niet ambitieus.
Een klein bakkerijtje. Iets menselijks. Iets echts. Iets dat ik kon dragen binnen mijn beperkingen.
Ik werkte door pijn heen. Door uitputting. Door slapeloze nachten.
En tegen alle verwachtingen in werd het een succes.
Mensen kwamen terug. Ze geloofden in wat ik deed. De zaak leefde.
Maar mijn lichaam niet.
Elke stap vooruit werd betaald met mijn gezondheid. Elke goede periode werd gevolgd door een crash. En op een bepaald moment wist ik: alleen ga ik dit niet blijven volhouden.
Toen lwerd beslist om met 2 samen te werken en verder uit te bouwen.
Niet zomaar iemand.
Een vriend die als familie beschouwd werd.
Ik was peter van zijn kind. Iemand die aan mijn tafel zat, in mijn leven stond, mijn vertrouwen volledig had.
Ik dacht dat hij me kwam helpen.
Hij kreeg zelf het statuut van mede zaakvoerder om de zaak richting verder succes te sturen.
Maar hij koos bewust anders.
Hij heeft bewust beslist om mij niet te helpen, maar te gebruiken.
Om mijn zwakte te zien als een kans.
Om mijn vertrouwen te misbruiken.
Omdat ik ziek was. Omdat ik niet alles kon controleren. Omdat ik geloofde in vriendschap.
Mijn fout was dat ik het niet doorhad.
Mijn fout was dat ik dacht dat iemand die als familie voelde, mij nooit bewust de afgrond in zou duwen.
Ik begon persoonlijk geld in de zaak te steken.
Mijn spaargeld. Mijn laatste reserves en persoonlijke leningen.
Omdat ik dacht dat ik mijn levenswerk aan het redden was.
Maar dat geld werd niet gebruikt om de zaak te redden.
Het werd gebruikt voor privé-uitgaven. Voor dingen die niets met de onderneming te maken hadden.
Terwijl ik mezelf verder uitputte, werd de zaak leeggezogen en dit op een paar maand tijd, duidelijk met intentie.
En nu sta ik hier.
Op het punt alles te verliezen.
Niet omdat ik lui was. Niet omdat ik gefaald heb.
Maar omdat ik ziek werd, bleef doorgaan, en vertrouwde op de verkeerde persoon.
Ik heb hulp gezocht.
Bij instanties. Bij de overheid. Bij de politie.
Maar er gebeurt niets.
Dossiers schuiven. Procedures slepen aan.
En ondertussen blijft de realiteit keihard doortikken.
Ik sta op het punt om alles te verliezen
Mijn inkomen. Mijn thuis. Mijn laatste vorm van stabiliteit.
Ondertussen vecht ik verder voor mijn gezondheid.
Daarom doe ik dit nu.
Niet uit gemak. Niet uit zwakte.
Maar omdat dit mijn laatste kans is.
Ik roep de hulp in van het publiek.
Van mensen die begrijpen dat dit niet zomaar een zaak is, maar een leven.
Een leven dat al te vaak op het randje heeft gestaan.
Als dit mislukt, verlies ik niet alleen al mijn bezittingen en mijn eigen eenmanszaak.
Dan verlies ik alles wat ik na mijn bijna-doodervaring opnieuw heb proberen opbouwen.
Dit is geen verhaal om medelijden te vragen.
Dit is een noodkreet.
Een laatste poging om niet volledig ten onder te gaan.
Alle kleine beetjes helpen.